Opname tips


Vogelvlucht opnameproces

Een studio lijkt vaak te bestaan uit een wirwar van draden, maar eigenlijk zijn al deze verbindingen te herleiden tot slechts enkele SOORTEN verbindingen.
Zo is er een kabelboom tussen de mengtafel en de digitale of analoge multitrackrecorder, een kabelboom tussen de opnamevloer en de mengtafel en een kabelboom tussen de mengtafel en het effectenrack (of de patchpanels).
Een aparte lijn is de midisetup, die zowel de midi- als de audioverbinding bevat. Midi, voor het versturen van de vele midi-commando's, audio voor de feitelijke overdracht van de geluiden.
De midiverbinding loopt tussen de PC (soft-sequencer) of hardwaresequencer en de keyboards en/of drumcomputer.

Een smpte-synchronisatiesignaal, dat op de tape/HD van de master (de multitrackrecorder) is opgenomen, geeft een 'startsignaal' aan de midisequencer die op zijn beurt de midicommando's verstuurt naar de verschillende midi-apparaten.
De geluiden die vervolgens gegenereerd worden komen tenslotte op je mengtafel retour. Vaak zie je dat voor de vele midigeluidskanalen een aparte (19") lijnmixer ingezet wordt, met veel kanalen en weinig regelmogelijkheden. Veel bewerkingen zijn immers niet nodig, de samples zijn vaak al 'af'.



Off- en on-tape
Het opnameproces kent in de basis twee stadia; het off-tape en on-tape stadium (wordt ooit nog wel eens het off- en on-disk).
Off-tape omvat de hele opnameprocedure naar de multitrackrecorder (analoog of digitaal). Het opnemen van instrumenten en zang op de aparte (4, 8, 16 of 24) sporen van je recorder dus. Als dit proces klaar is, ga je verder met het on-tape proces: alle afzonderlijke sporen moeten gemixt worden tot één stereosignaal; de eindmix of mix-down dus.
Dit is een uiterst leuk en creatief werkje, want je kunt elk apart signaal nog veranderen (toonregeling, compressie) en voorzien van elk gewenst effect (galm, chorus enz.). Daarna kan er nog gemasterd worden, een uiterst precies werkje, waarbij compressie en toonregeling op smaak gebracht wordt door een professional, meestal van het bedrijf waar je de CD's laat maken.
Tenslotte heb je dus een mastertape, vaak direct op PC, soms op DAT, waarvan bijvoorbeeld een CD gemaakt kan worden. Enige jaren geleden was de minimum oplage van een CD nog 500, soms zelf 1000 stuks. Tegenwoordig is het mogelijk een oplage van bijvoorbeeld 20 of 100 stuks te (laten) maken, bijvoorbeeld voor een promo-campagne. Op de moderne computer en laser- of inktjetprinter ben je ook heel goed in staat om zelf professioneel drukwerk voor de inlay- en bottomcard te maken.




CDR
Behalve het masteren (of beter, de mix-down) op DAT wordt steeds vaker de computer gebruikt om rechtstreeks te masteren. Het voordeel boven de DAT is dat je erg veel controle krijgt over de opgenomen muziek, omdat de software en de vele plug-ins je helpen de muziek te optimaliseren. Elke vlotte computer (Pentium i3, i5), voorzien van een goede geluidskaart (lees: goede geluidskaart!) voldoet in deze. Een snelle harde schijf (bij voorkeur de moderne u-dma 7.200/10.000 rpm of SCSI) is een pré. Tijdens het masteren worden bij voorkeur wave-files geschreven : 16 bit-stereo-44.1 KHz. Dit formaat sluit precies aan op de CD-norm (Redbook).

Wave software : WaveLab, Sony Sound Forge, Audition of Cool Edit (Pro).

Na het masteren heb je dus een aantal .wav files (1 min. muziek = 10 Mb) die nog bewerkt kunnen worden. Rommeltjes knippen, digitale eq of compressie toepassen, coupletje kopiëren, het kan allemaal. Uiteindelijk kun je met behulp van speciale CDR software (o.a. Easy CD Pro, WinOnCD, Alcohol 120%, Nero, etc.) de wav files wegschrijven naar CDR, het zogenaamde 'branden'. Als dat klaar is heb je een CDR pre-productiemaster. Deze kan door jezelf of door de professionele CD-perserij gekopieerd worden in de gewenste oplage.